Beresterk bodemdiertje overleeft overal

16 maart 2012 | Achtergrond
Als een klein bolletje wordt hij meegenomen door de lucht. Zwervend van plek naar plek. Plots komt hij in een plasje water terecht en binnen een paar minuten ontvouwen er vier paar pootjes onder het dikke bolletje vandaan. Aan ieder pootje zit een klein klauwtje. Oogjes heeft hij niet. Met zijn kleine, koddige, bolle lijfje en acht pootjes begint het beerdiertje heel langzaam rond te kruipen. Hij is net wakker geworden na enkele jaren slaap.

Pak een stukje mos, sprenkel er wat water over en laat het even liggen. Haal dan het mos weg en bekijk het plasje water met een dissectiemicroscoop. Grote kans dat je ze ziet. Kleine beestjes van nog geen millimeter groot. Het zijn beerdiertjes die van natte plekjes houden. De grootste kans om ze te vinden is dan ook in mosrijke omgevingen of in plassen zoet water, waar ze met honderden op een vierkante centimeter leven. Waar dat is maakt niet uit; op de hoogste bergtop, in een koud gebied of juist heel erg warm. Klein als ze zijn kunnen ze heel wat hebben.



Langzame loper

In 1773 beschreef de Duitse pastoor Johann August Ephraim Goeze (1731-1793) voor het eerst een beerdiertje. Goeze was ook de eerste die het beerdiertje tekende. Zes jaar later zorgde de Italiaanse bioloog Lazzaro Spallanzani voor de eerste wetenschappelijke omschrijving van het diertje. Hij gaf het de Latijnse naam Tardigrada, vanwege de langzame bewegingen van het beestje.

Lichaamssappen opzuigen


Beerdiertjes kunnen in zeewater, brak water en zoet water leven, maar het liefste kruipen ze in een stukje mos. De beerdiertjes die op het land leven worden iets groter dan hun familie in zee; zo’n 1 mm groot. De beerdiertjes in zee zijn ongeveer 0,5 mm en hebben in plaats van kleine klauwtjes ook weleens andere aanhangsels aan hun pootjes. Daarnaast hebben ze aan hun kop twee scherpe stiletto’s die helpen bij het jagen. Er is niet heel erg veel bekend over hun eetgewoonten, maar de meeste diertjes zijn carnivoor, of in ieder geval omnivoor. Ze jagen het liefst op protozoa, radardiertjes en rondwormen die in dezelfde omgeving leven. Zien ze een lekker hapje dan zetten ze binnen een paar seconden hun scherpe stiletto’s in hun prooi vast en zuigen ze met hun mond de lichaamsvloeistoffen op. Sommige soorten beerdiertjes eten liever vegetarisch en zuigen cellen van mossen of groene algen uit.
Oud en veelzijdig
De klasse van de beerdiertjes is al aardig oud. Het oudste fossiel van een beerdiertje is 92 miljoen jaar oud en komt uit de periode van het Krijt. Er zijn ook enkele fossielen van 550 miljoen jaar oud uit het Cambrium gevonden van mogelijke voorvaders van de beerdiertjes. Door de jaren heen zijn er flink wat soorten beerdiertjes gevonden en tegenwoordig zijn er meer dan 1000 verschillende soorten bekend die over de hele wereld voorkomen.

Solo seks


Je zult niet snel twee beerdiertjes seks zien hebben. Veel soorten kunnen zich namelijk ‘maagdelijk voortplanten’, een vorm van ongeslachtelijke voortplanting waar de vrouwtjes geen mannetje voor nodig hebben. Een eitje hoeft niet bevrucht te worden om uit te groeien tot een nieuw beerdiertje. En dat kan een groot evolutionair voordeel zijn bij het koloniseren van een nieuwe habitat. Een enkel vrouwtje kan in haar eentje een nieuwe populatie stichten. Veel soorten beerdiertjes leggen een enkel eitje dat er per soort heel verschillend uit kan zien. Ook zijn er soorten die een groep eitjes samen met hun huid afwerpen tijdens het vervellen. Alle beerdiertjes vervellen hun hele leven lang. Het verschilt van soort tot soort hoe lang het duurt voordat de eitjes volgroeid zijn. Dat kan enkele dagen duren, maar ook een paar maanden. Over die ontwikkeling is weinig bekend, er verscheen slechts een handjevol publicaties over. 

Extreme slapers


De beerdiertjes van het land zijn bekend geraakt door een bijzondere eigenschap. Ze kunnen namelijk jaren in een soort slaapstand gaan. Cryptobiose heet dat. Normaal bestaat een beerdiertje voor 85 procent uit water maar als er extreme droogte aanbreekt, brengt het diertje dit terug tot drie procent. Hij rolt zichzelf op, schrompelt ineen tot een derde van zijn oorspronkelijke grootte en lijkt morsdood. Er is zelfs geen stofwisseling meer waarneembaar. In deze toestand kan het beerdiertje meegevoerd worden door de wind en is hij bestand tegen extreme druk, hoge temperaturen en lage temperaturen. Best handig voor de beerdiertjes die bijvoorbeeld op de mossen in het Arctisch gebied leven. Tijdens de hele winter slapen ze en in de korte zomers zijn ze wakker. Om wakker te worden is niet veel nodig. Wanneer de diertjes opnieuw blootgesteld worden aan water zijn ze binnen een paar minuten wakker en kruipen ze weer verder. Doordat het diertje dit kan doen kan het zijn leven heel wat oprekken. Van een paar maanden tot een paar jaar.

Omgekeerd werkt het ook. Het beerdiertje kan ook nog boller worden dan hij al is. Dat gebeurt wanneer het té vochtig wordt. Bijvoorbeeld bij een overstroming; dan zwelt hij op als een spons en laat zich meedrijven door het water. Pas als hij weer is opgedroogd komt hij weer terug in zijn normale vorm.
De ruimte in
In 2007 ontdekten Zweedse onderzoekers dat het beerdiertje in zijn slaaptoestand heel erg veel kan hebben. Ingemar Jönsson van Kristianstad University stuurde een aantal beerdiertjes van twee verschillende soorten met een satelliet de ruimte in. Het onderzoeksteam wilde kijken of de beestjes de heftige combinatie van het ontbreken van lucht, intense straling van de zon en kosmische deeltjes konden overleven. Na tien dagen keerde de satelliet terug naar aarde. De vacuümtoestand van de ruimte leek de diertjes niet zoveel te kunnen schelen. Nadat ze wat vocht hadden gekregen, kwamen ze binnen dertig minuten uit hun slaap. Ook begonnen ze weer eitjes te leggen waar gewoon gezonde nakomelingen uitkwamen. Maar de UV-straling van de zon, die in de ruimte 1000 keer zo sterk is als op aarde, werd de meeste beerdiertjes toch teveel. Beerdiertjes waren de eerste diertjes die de vacuümomgeving van de ruimte aan bleken te kunnen. Vóór dit experiment was alleen van bacteriën en korstmossen bekend dat ze konden overleven in de ruimte.

Beresterk dus, die beerdiertjes.

Serie Bodemdiertjes


Ze hebben geen aaibare vachtjes, imponerende kleuren of glanzende Disney-ogen. Maar wie bodemdieren van dichtbij bekijkt, ontdekt dat ze over een fascinerende schoonheid beschikken. Bovendien zijn ze van onschatbare waarde voor onze ondergrond. Zonder bodemleven geen vruchtbare akkers en weelderige tuinen. Daarom op Kennislink Aarde & Klimaat en Kennislink Biologie de komende tijd een serie Bodemdiertjes. Dit is de vierde aflevering.

Doneer

Dit artikel is gratis op mijn website te lezen. Als je het waardeert, kun je een donatie doen en help je kwaliteitsjournalistiek mogelijk te blijven maken.  

Welk bedrag wil je doneren?

Vul een bedrag in: